Welkom op de site van het
Centraal Bacteriologisch en Serologisch Laboratorium

Met deze website beoogt het CBSL de dienstverlening aan haar inzenders te optimaliseren. Het bevat direct praktische informatie. In de informatievoorziening naar onze inzenders zal naast directe mailings ook van deze site gebruik gemaakt worden door het samenstellen van periodieke nieuwsbrieven.

Wij hopen dat de website voor u van nut kan zijn. Mocht u aanvullingen of commentaren hebben op onze website, dan gaarne het verzoek uw vragen per e-mail op te sturen naar: info@cbsl.nl.

Nieuwsbrief

  • Mycoplasma genitalium PCR op het CBSLjuli 2016

  • Nieuw laboratorium informatie systeem op CBSLapril 2016

    Nieuw laboratorium informatie systeem op CBSL

    Het Centraal Bacteriologisch en Serologisch Laboratorium (CBSL) van Tergooi is bezig met de implementatie van een nieuw laboratorium informatie systeem (LIS). Het CBSL gebruikt nu Micros van Philips, maar gaat medio april over op GLIMS 9 van de firma MIPS.
    Een van de grote voordelen van GLIMS 9 is dat het integrale proces in het laboratorium wordt ondersteund, waardoor de kans op fouten binnen de dagelijkse processen verder wordt verminderd.

    De overgang naar GLIMS 9 zal met name voor de mensen op de werkvloer van het CBSL van invloed zijn. De implementatie zal nauwelijks of geen gevolgen hebben voor u als aanvrager: diagnostiek aanvragen kunt u doen zoals u dat gewend bent en u ontvangt uw papieren en/of elektronische rapporten terug. Hoewel de lay-out van de rapportage zal afwijken van wat u nu gewend bent, is de inhoud van de rapportages hetzelfde als in de huidige situatie.

    Indien u vragen heeft over de implementatie van GLIMS 9 kunt u contact opnemen met dr. Leendert Bakker, arts microbioloog of Cor Hemmers, applicatiebeheerder CBSL (088-7531220).

     

    April 2016

  • Hepatitis E serologiefebruari 2016

    Hepatitis E serologie

    Het Centraal Bacteriologisch en Serologisch Laboratorium heeft recent de serologie voor Hepatitis E beschikbaar.

    In geval van een acute hepatitis kan er naast Hepatitis A, B en C, CMV en EBV sprake zijn van Hepatitis E.

    Bij een acute Hepatitis E kan zowel IgM als IgG worden aangetoond na een incubatieperiode van ca. 2 weken. IgM en IgG zijn aantoonbaar vanaf het moment van het ontstaan van de klinische symptomen.

    De IgM titer daalt na ca 4 weken vanaf het begin van de symptomen.

    Uit de screening van de bloedbanken (Sanquin) lijkt de prevalentie van Hepatitis E toe te nemen. In Nederland is varkensvlees de belangrijkste besmettingsbron. Daarnaast vormen de ontlasting van varkens, hertenvlees en het vlees van wilde zwijnen potentiele bronnen van besmetting.

    - LCI richtlijn Hepatitis E (2011)
    - Current Concepts: Hepatitis E NEJM 367: 13 september 27, 2012

     

    Februari 2016

  • CBSL Transport voor het materiaal van uw patiënten nu nog beterapril 2014

    CBSL Transport voor het materiaal van uw patiënten nu nog beter

    Op 31 maart heeft het CBSL verbeteringen doorgevoerd in haar transport tussen u en haar hoofdlocatie te Hilversum. Deze aanpassing is noodzakelijk omdat de wet- en regelgeving m.b.t. transport van biologische materialen is aangepast en om de bewaarcondities van patiëntenmateriaal te borgen.

    In onderstaande tabel is weergegeven wat de aanpassingen zijn en wat de verbeteringen inhouden.

    Aanpassing Behaalde voordeel
    Gebruiken van UN 3373 gecertificeerde transportbakken. > Veiligere box voor transport over de openbare weg.
    Betere en materiaalgerichte temperatuurbeheersing van de materialen tijdens het transport. > Materiaal dat sinds afname onder optimale condities wordt bewaard levert betrouwbare resultaten op.
    Duidelijke documentatie meegeven aan onze koeriers voor hulpdiensten en autoriteiten met betrekking tot de inhoud van het transport (‘vrachtbrief’).

    > In geval van een calamiteit weten hulpdiensten direct met wat voor materiaal zij te maken hebben en hoe ze daarmee om dienen te gaan.

    > In geval van een controle heeft de koerier vrijwel geen oponthoud doordat in één oogopslag duidelijk is om wat voor transport het gaat en dat aan alle voorwaarden wordt voldaan.

    Toevoegen van gemarkeerde safety bags aan de afnamesets.

    > In safety bag verpakt materiaal is direct duidelijk herkenbaar als UN 3373, biologisch materiaal categorie B.

    > De safety bag is zowel lek- als stofvrij waardoor deze nog veiliger is. Daarbij geldt wel dat ze goed dichtgeplakt moet worden.

    > Door de bedrukking van de safety bag wordt beter verhuld wat voor materiaal het betreft. Uit gebruikersonderzoek kwam naar voren dat zowel assistenten als patiënten de doorzichtige zakjes niet prettig vinden.

    Door deze aanpassing zijn de temperatuurcondities voor het materiaal geborgd. Tevens voldoet het CBSL nu volledig aan de verpakkings- en vervoerseisen van de UN 3373 voor biologisch materiaal categorie B.

     

    April 2014

  • Soa-diagnostiekseptember 2013

    SOA-diagnostiek

    Geachte collega,

    Afgelopen maanden is de SOA-diagnostiek in Nederland in het nieuws geweest, mede naar
    aanleiding van een recente evaluatie van de VWS-subsidieregeling voor de SOA-poli’s van de GGD
    en vermeend hoge kosten voor SOA-testen.

    Het CBSL voert SOA-diagnostiek uit voor huisartsen in het Gooi en Almere, voor GGD Flevoland en
    voor specialisten in Tergooi.

    Voor de huisartsen in het Gooi heeft het CBSL samen met EDC Tergooi op basis van de NHG-richtlijn "het SOA-consult" een werkafspraak SOA gemaakt (zie:www.edctergooi.nl onder medische
    microbiologie
    ); de diagnostiek wordt conform deze werkafspraak uitgevoerd en als aangevraagd door de huisarts.

    Voor de huisartsen in Almere zijn afspraken gemaakt over het microbiologisch aanvraagformulier dat beschikbaar is als masker; ook hieraan ligt de NHG-richtlijn ten grondslag;
    Vooruitlopend op de nieuwe NHG-richtlijn en conform de risicoschatting zoals die op de SOA-poli’s
    gebeurt, willen we onze huisarts-aanvragers in de gelegenheid stellen om Chlamydia-diagnostiek ook als solitaire aanvraag te kunnen doen. Chlamydia is verreweg de meest voorkomende SOA bij
    jongeren <25 jaar en indien geen klachten of risicogedrag aanwezig zijn volstaat bij hen het testen op Chlamydia (Soetens et al, Sex transm infections in The Netherlands 2012).

    Bij de eerstvolgende uitgave van het aanvraagformulier CBSL (Gooi)/aanpassen van de masker
    (Almere) zal deze mogelijkheid geboden worden; tot die tijd kunt u handmatig op het formulier
    aangeven dat u enkel Chlamydia getest wilt hebben.

    Voor wat betreft de kosten: het CBSL houdt voor de SOA-diagnostiek, net zoals voor alle overige
    diagnostiek de NZA tarieven aan (voor Chlamydia is dat bv de geautomatiseerde DNA-bepaling en
    orderkosten); daarnaast verstrekt het CBSL/Tergooiziekenhuizen op deze diagnostiek een korting van 20% op de kostprijs.

    We vertrouwen erop u hiermee voldoende ingelicht hebben.

    Met vriendelijke groet

    Cornelis Timmerman
    Arts microbioloog CBSL
    Hilversum/Almere
    088-7531220

     

    September 2013

  • Archief voor 2012

Informatie voor aanvragers

  • Aanvraagformulier CBSL

    Aanvraagformulieren en alle afname- en verzendmaterialen kunnen telefonisch danwel schriftelijk of per email worden aangevraagd bij de administratie van het CBSL: 088-7531220.

    Aanvraagformulier CBSL eerste lijn (PDF)

    Aanvraagformulier CBSL algemeen (PDF)

     

  • Artseninformatieblad Helicobacter ademtest/13C-ureum ademtest

    Info in het kort:
    Voorbereiding voor patiënt
    • Minimaal 8 uur nuchter
    • Tenminste 4 weken geen antibiotica kuren gehad
    • Protonpompremmer (PPI) voor afname ademtest tenminste 2 weken staken (PPI kan worden vervangen dooor een H2-receptorantagonist; die dient 1 week voor de ademtest te worden gestaakt; PPI kan ook door een antacidum worden vervangen, deze hoeft niet te worden gestaakt voor de ademtest

    Afname H. pylori ademtest
    • Na afspraak op Centraal Bacteriologisch en Serologisch Laboratorium
    • Duur ± 45 minuten

    Indien H. pylori ademtest positief
    • Antibiotische therapie
    • Test na zes weken herhalen ter controle eradicatie

    Keuze in welke diagnostiek bij verdenking H. pylori infectie.
    Het CBSL voert de serologie, de fecesantigeentest en de C13-ureumademtest uit. Bij patienten die zich voor het eerst presenteren met klachten is volgens ons de keus om te kiezen voor serologie of de ureum ademtest heel valide. Na behandeling kan met de ademtest gecontroleerd worden of er nog sprake is van een actieve infectie.

    In tegenstelling tot de standaard delen wij niet de mening dat de fecesantigeentest even gevoelig en specifiek is als de ureumademtest. De ureumademtest toont een actieve infectie aan en heeft een uitstekende gevoeligheid en specificiteit. Met de fecestest wordt antigeen aangetoond; ook na behandeling kan er nog antigeen worden aangetoond, waardoor de specificiteit van de test afneemt.
    Is er dan geen plaats voor de fecestest?; Uit literatuur blijkt dat het soort antigeentest belangrijk is: de fecestest mbv monoclonale antilichamen (welke gebruikt wordt op het CBSL) toont het antigeen van H. pylori het beste aan. De fecestest kan als diagnosticum ingezet worden, als een ademtest of serologie lastig is, bijvoorbeeld bij kinderen. Een goede vergelijking met de ademtest is echter onvoldoende uitgezocht.

    Wanneer vraagt u deze test aan.
    Een 13C-ureum ademtest dient voor het aantonen van een Helicobacter pylori infectie. Het testen op deze bacterie kan zinvol zijn bij patiënten met:
    - Peptisch ulcus-lijden
    - Functionele dyspepsie
    - Langdurig gebruik van NSAID’s of protonpomp-remmers (PPI’s)
    - Het familiair voorkomen van maagzweren en maagtumoren
    - Controle op de effectiviteit van eerdere eradicatie-therapie

    Aanvragen van een test.
    - De test wordt afgenomen op het het CBSL, locatie Hilversum (Van Riebeeckweg 212) en locatie Blaricum (Rijksstraatweg 1).
    - U kunt de test aanvragen op het CBSL aanvraagformulier en meegeven aan de patiënt. De patiënt kan zelf een afspraak maken via tel. nr. 088 753 1220.

    Principe van de test.
    H. pylori produceert grote hoeveelheden urease. De 13C-ureum uit de testdosis wordt door dit bacteriële urease omgezet in NH4 en 13CO2. De 13CO2 wordt opgenomen in de bloedstroom en via gasuitwisseling in de longen uitgeademd. Door middel van massaspectrometrie wordt 13CO2 vóór en na de inname van de testdosis bepaald en het verschil is een maat voor de urease activiteit (=hoeveelheid H. pylori) in de maag. De test is zonder bezwaar geschikt voor alle patiënten, ook voor b.v. zwangeren en kinderen. 13C is een stabiel, niet-radioactief isotoop.

     

     

    Voorbereiding op de test.
    Voor het krijgen van een betrouwbare uitslag moet de patiënt liefst twee weken voor de afname van de test stoppen met het innemen van protonpomp-remmers (PPI’s). Mocht de patiënt niet zonder deze zuurremmer kunnen dan kan worden overwogen een H2-receptorantagonist voor te schrijven daar deze minder snel dan PPI’s leiden tot fout negatieve uitslagen. Bovendien mag de patiënt minimaal vier weken voor de test geen antibioticakuur hebben gevolgd.
    Voor het verkrijgen van een betrouwbare uitslag is het van belang dat de patiënt voor afname van de test minimaal 8 uur nuchter is. Ook tijdens de 30 minuten durende test mag patiënt niet eten/drinken.

    Uitvoering van de test.
    Bij aanvang van de test wordt een ademmonster afgenomen. Vervolgens drinkt de patiënt een paar slokjes jus d’orange, dan een kleine hoeveelheid water met hierin wat 13C -ureum en daarna enkele slokjes jus d’orange. De patiënt wordt vervolgens gevraagd in de wachtruimte plaats te nemen. Na 30 minuten wordt opnieuw een ademmonster afgenomen waarmee de test klaar is.

    Beleid bij maagklachten [Bron: Multidiciplinaire richtlijn maagklachten 2004 en Maastricht III consensus report management H. pylori infection, januari 2007]

     

    Uitslag van de test.
    De uitslag kan in principe binnen vijf werkdagen bekend zijn. Wij sturen u zo snel mogelijk de uitslag electronisch toe.
    Bij een negatieve uitslag is geen H. pylori in de maag aanwezig. De klachten zullen waarschijnlijk een andere oorzaak hebben. Bij een controle op het effect van eerdere eradicatie-therapie duidt een negatieve uitslag op geslaagde eradicatie. De uitslag kan fout-negatief zijn als de patiënt niet is gestopt met protonpomp-remmers (PPI’s) of minder dan 4 weken tevoren antibiotica heeft gehad.
    Bij een positieve uitslag is de patiënt geïnfecteerd met H. pylori en is behandeling geïndiceerd. De behandeling bestaat uit een combinatie van antibiotica met een protonpompremmer. Gezien het resistentiepatroon in Nederland is de combinatie van amoxicilline en claritromycine daarbij eerste keuze. Vanwege de toenemende resistentie van H. pylori verdient het aanbeveling om zes weken na beëindiging van therapie een controle op een geslaagde eradicatie uit te voeren d.m.v. herhaalde ademtest.

    Eerstelijnstherapie.
    Gedurende 7 dagen:
    - protonpompremmer (standaarddosering 2 dd pantoprazol 40 mg)
    - amoxicilline (1000 mg 2 dd)
    - claritromycine (500 mg 2 dd)

    Bij overgevoeligheid voor penicilline:
    Gedurende 7 dagen:
    - protonpompremmer (standaarddosering 2 dd pantoprazol 40 mg)
    - metronidazol (500 mg 2 dd)
    - claritromycine (500 mg 2 dd)

    Tweedelijnstherapie.
    Gedurende 7 dagen:
    - protonpompremmer (standaarddosering 2 dd pantoprazol 40 mg)
    - tetracycline (500 mg 4 dd) of doxycycline (100 mg 2 dd)
    - metronidazol (500 mg 3 dd)

  • Toelichting op moleculaire diagnostiek voor bacteriële vaginose (PCR bacteriële vaginose)

    M.b.v. de PCR voor bacteriële vaginose worden 5 micro-organismen aangetoond:

    - Atopobium vaginae
    -
    Megasphera phylotype I
    -
    Gardnerella vaginalis
    - Lactobacillus crispatus
    - Lactobacillus iners

    In een uitgebreide klinische studie door het CBSL samen met de huisartsen in Almere/Gooi/Vechtstreek en de gynaecologen van Tergooiziekenhuizen is geëvalueerd hoe deze PCR geïnterpreteerd moet worden in samenhang met de kliniek en de ‘gouden standaard’ voor de (laboratorium)diagnose bacteriële vaginose: de Nugent-score op het Grampreparaat van fluor vaginalis.

    De aanwezigheid van (veel) Lactobacillus iners duidt op een verschuiving in de vaginale flora van gezond naar pathogeen.
    De aanwezigheid van (veel) Lactobacillus crispatus duidt op een gezonde vaginale flora.
    De aanwezigheid van Atopobium, Megasphera en Gardnerella duidt op bacteriële vaginose.

    Indien slechts één of twee van deze bacteriën aanwezig is, hangt het weer af van de verhouding tussen de bovengenoemde Lactobacillen of de diagnose bacteriële vaginose waarschijnlijk dan wel onwaarschijnlijk is.

    Het enkel aantonen van Gardnerella is bijvoorbeeld onvoldoende om een diagnose bacteriële vaginose te stellen: er zijn veel gezonde vrouwen die Gardnerella bij zich hebben, zonder klachten van een fluor vaginalis.

    De lactobacillen index geeft de verhouding ‘goede’/ ’foute’ lactobacillen aan:

    Index > 1: meer Lactobacillus crispatus dan Lactobacillus iners (en duidend op gezonde vaginale flora)
    Index < 1: meer L. iners dan L. crispatus (en duidend op ‘pathogene’ flora)

    U kunt bij de PCR-uitslag de volgende interpretatie vinden:

    • uitslag past bij bacteriële vaginose
    • uitslag kan passen bij bacteriële vaginose
    • geen aanwijzing voor bacteriële vaginose

    Behandeling
    Bacteriële vaginose is een (tijdelijke) verschuiving in de vaginale flora, waarbij de ‘ongezonde’ flora overheerst en vervelende klachten kan veroorzaken.

    Indien antibiotische therapie wordt overwogen, kan op basis van de tot nu toe bekende literatuur een kuur metronidazol (2dd500 mg p.o., 7 dagen) worden voorgeschreven; uit recent onderzoek is echter gebleken dat m.n. de bacterie Atopobium vaginae in vitro vaak ongevoelig is voor metronidazol; indien deze bacterie is aangetoond is clindamycine (3dd300 mg p.o., 5 dagen of clindamycine vaginale crème 2% 1dd voor de nacht vaginaal, 7 dagen) een goed alternatief voor behandeling.

  • Diagnostisch Vademecum Infectieziekten

  • Diagnostisch Vademecum Infectieziekten per verwekker inclusief doorlooptijden

  • PIPO-onderzoek

    Wat houdt het PIPO-onderzoek in?
    In het PIPO-onderzoek wordt, met een nieuwe laboratoriumtest genaamd PCR, gekeken naar het voorkomen van parasieten in de ontlasting. De nieuwe methode toont meer parasieten aan dan de oude methode. In een samenwerking tussen Tergooiziekenhuizen (kinderartsen en medisch microbiologisch laboratorium) en een aantal huisartsen in het Gooi proberen wij in kaart te brengen welke parasieten voorkomen, welke klachten daarbij passen en wat het eventuele effect is van behandeling.

    PIPO

    Bijbehorende formulieren

  • Receptacula CBSL

  • Richtlijn Lyme-borreliose (CBO)

    In 2000 hebben leden van de Nederlandse Vereniging van Lymepatiënten het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO voorgesteld een richtlijn te ontwikkelen op het gebied van Lyme-borreliose. Het voorstel werd voorgelegd aan en goedgekeurd door de Medisch Wetenschappelijk Raad van het CBO.

    Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het expliciteren van goed medisch handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van de preventie, diagnostiek en behandeling van Lyme-borreliose. De richtlijn is geschreven voor en door de zorgverleners. De richtlijn biedt aanknopingpunten voor bijvoorbeeld transmurale afspraken of lokale protocollen, hetgeen voor de implementatie bevorderlijk is.

     

    Richtlijn Lyme-borreliose Definitieve versie 2013
  • Richtlijn MRSA dragerschap (SWAB 2007)

    MRSA dragerschap (volgens richtlijn SWAB 2007)

    Men spreekt van ongecompliceerd MRSA-dragerschap, wanneer dit voldoet aan onderstaande
    punten:

    • individu zonder actieve infectie met MRSA en
    • MRSA is in vitro gevoelig voor de toe te passen antibiotica en
    • er zijn geen actieve huidlaesies en
    • er is geen lichaamsvreemd materiaal dat een verbinding vormt tussen milieu interieur en milieu exterieur (bijvoorbeeld urine catheter, fixateur externa en
    • dragerschap is in de neus gelokaliseerd

    Ongecompliceerd MRSA dragerschapbehandeling

     

    Men spreekt van compliceerd MRSA-dragerschap, wanneer dit voldoet aan minstens één van
    onderstaande punten:

    • er zijn actieve huidlaesies en/of er is lichaamsvreemd materiaal dat een verbinding vormt tussen milieu interieur en milieu exterieur en/of
    • MRSA is in vitro ongevoelig voor mupirocine en/of
    • eerdere behandelingen volgens de adviezen bij ongecompliceerd dragerschap hebben gefaald en/of
    • dragerschap bevindt zich uitsluitend op andere plaatsen dan de neus, zoals keel, perineum, of huidlesies

    Gecompliceerd MRSA dragerschapbehandeling

     

    Dragersbehandeling MRSA richtlijn SWAB 2007 (Stichting Werkgroep AntibioticaBeleid) (PDF)

     

  • Ongecompliceerd MRSA dragerschapbehandeling

    Advies:
    Niveau 1
    Mupirocine neuszalf 3 dd gedurende 5 dagen.

    Niveau 3
    Gedurende de behandeling worden huid en haren dagelijks met een
    desinfecterende zeep (Chloorhexidine zeep oplossing 40 mg/ml of betadine
    shampoo 75 mg/ml) gewassen, bij voorkeur onder de douche (niet in bad).

    Niveau 4
    Dagelijks schoon ondergoed, schone kleding, schone washandjes en handdoeken
    gebruiken. Op dag 1, 2 en 5 van de kuur beddengoed volledig verschonen. Bij het naar bed
    gaan dient tevens gedurende de behandeling schoon ondergoed dan wel pyjama
    te worden aangetrokken.

    Bij therapie falen:
    Niveau 3
    Nagaan of er sprake is van een reservoir in de thuissituatie (mens of dier).

    Niveau 3
    Als er een reservoir in de thuis situatie aanwezig is, dan dient deze gelijktijdig te
    worden meebehandeld.

    Opmerking:
    Enkele deskundigen die bij het opstellen van deze richtlijn betrokken zijn, zijn van
    mening dat, gezien de bevinding dat vaak andere huisgenoten ook MRSA drager blijken, de
    thuissituatie direct in de evaluatie en zonodig behandeling moet worden meegenomen. Het is
    echter op dit moment niet duidelijk of dit dragerschap frequent persisteert als het indexgeval
    behandeld wordt en vervolgens tot falen van de behandeling leidt. In afwachting van nadere
    gegevens is het advies om pas bij falen van een eerste behandeling van het indexgeval de
    thuissituatie in de evaluatie te betrekken.

    Bij tweede keer falen is er sprake van een gecompliceerd MRSA dragerschap.

  • Gecompliceerd MRSA dragerschapbehandeling

    Adviezen:
    Indien er sprak is van actieve huidlaesies, eerst de huidlaesies behandelen,
    zonodig in overleg met dermatoloog.
    Is er na afloop van de behandeling sprake van ongecompliceerd dragerschap dan kan de
    behandeling die daar is aangegeven worden ingesteld.

    Indien er lichaamsvreemd materiaal aanwezig is dat een verbinding vormt tussen
    milieu interieur en milieu exterieur, bij voorkeur wachten tot dit verwijderd kan
    worden.

    Bij osteosynthese materiaal met gesloten wond, kan dragerschap behandeld worden: mits bij
    verwijderen van het materiaal opnieuw isolatiemaatregelen en controle kweken afgenomen
    worden.
    Is er na de verwijdering sprake van ongecompliceerd dragerschap dan kan de behandeling die
    daar is aangegeven worden ingesteld.

    Behandeling van gecompliceerd dragerschap bij een mupirocine gevoelige MRSA:
    Niveau 3
    Systemische behandeling gedurende minstens 7 dagen met een combinatie van 2
    middelen zoals vermeld in tabel 3.
    De keuze wordt primair bepaald door de in vitro gevoeligheid van de betreffende
    MRSA. In principe wordt orale behandeling toegepast.

    Systemische behandeling combineren met:
    Niveau 1
    Mupirocine neuszalf 3 dd gedurende 5 dagen.

    Niveau 3
    Gedurende de behandeling worden huid en haren dagelijks met een
    desinfecterende zeep (Chloorhexidine zeep oplossing 40 mg/ml of betadine
    shampoo 75 mg/ml) gewassen, bij voorkeur onder de douche (niet in bad).

    Niveau 4
    Dagelijks schoon ondergoed, kleding en schone handdoeken gebruiken. Op dag
    1, 2 en 5 van de kuur beddengoed volledig verschonen. Bij het naar bed gaan
    dient tevens gedurende de behandeling schoon ondergoed dan wel pyjama te
    worden aangetrokken.

    Niveau 3
    Eventueel besmette gezinsleden gelijktijdig behandelen. Indien deze als
    ongecompliceerde drager worden beschouwd kan met de daar genoemde
    behandeling worden volstaan en worden geen systemische middelen gegeven.

    Niveau 3
    Bij eventueel aanwezige wonden wordt dragerschap behandeling pas ingesteld
    als de wond genezen is tenzij er redenen zijn om dit niet uit te stellen. Lokale
    toepassing van mupirocine op de wond is niet gewenst, vanwege de kans op
    resistentievorming.

    Niveau 4
    Het toepassen van desinfectantia heeft de voorkeur, eventueel in combinatie met
    systemische antibiotische therapie.

    Niveau 3
    Bij de aanwezigheid van darm/rectum dragerschap is er beperkte ervaring met
    orale toediening van aminoglycosiden en glycopeptiden. Vanwege de kans op
    resistentievorming tegen deze belangrijke therapeutische middelen wordt dit niet
    aanbevolen.
    Bij therapie falen wordt doorverwijzing naar een centrum met specifieke deskundigheid
    geadviseerd.

    Behandeling van gecompliceerd dragerschap bij een mupirocine
    verminderd-gevoelige of resistente MRSA

    Mupirocine gevoeligheid wordt bepaald bij elke individu dat is gekoloniseerd met MRSA en
    opnieuw na falen van behandeling met mupirocine. De bepaling gebeurt bij voorkeur met behulp
    van E-testen. Er bestaat mupirocine verminderd gevoelige MRSA (low-level of intermediaire
    resistentie), bij een mininale remmende concentratie (MRC) van 4 256 μg ml -1 , en high-level
    resistentie, met MRC 512 μg ml -1 . Bij een patiënt met een mupirocine verminderd gevoelige
    dan wel resistente MRSA wordt doorverwijzing naar een centrum met specifieke deskundigheid
    geadviseerd.

    Controle kweken
    Controle kweken worden afgenomen en verder bewerkt volgens de richtlijnen van de
    Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (www.nvmm.nl). De eerste kweken ter
    beoordeling van de effectiviteit van de behandeling worden tenminste 48 uur na het beëindigen
    van de behandeling afgenomen. De frequentie van verdere kweekafname is onder andere
    afhankelijk van de gevolgen voor het betrokken individu. In de richtlijnen van de WIP zijn deze
    gevolgen vastgelegd (www.wip.nl).

    Tabel 3. Orale combinatie-therapie voor eradicatie van dragerschap van MRSA

     
    Middel 1Middel 2Mening commissie
    Doxycycline 1 dd 200 mg Eerste keus: Rifampicine 2 dd 600 mg

    Bij ongevoeligheid voor rifampicine: Fusidinezuur 3 dd 500 mg
    Aanbevolen
    Trimethoprim 2 dd 200 mg
    Clindamycine 3 dd 600 mg Alternatief
    Clarithromycine 2 dd 500 mg
    Ciprofloxacine 2 dd 750 mg
    Fusidinezuur 3 dd 500 mg Rifampicine 2 dd 600 mg


    Alle behandelingen zijn bij voorkeur oraal. De gegeven dosering is de aanbevolen dosering bij
    een volwassen persoon van ongeveer 70 kg. Combinatie therapie heeft de voorkeur vanwege een
    betere effectiviteit en een verminderde kans op resistentievorming.

  • Accreditatie CCKL

    Het CBSL is CCKL geaccrediteerd.
    De medisch immunologische onderzoeken van het CBSL (zie Tabel E Serologie auto-immuunziekten van het Diagnostisch Vademecum Infectieziekten) vallen niet onder deze accreditatie. Accreditatie hiervoor wordt aangevraagd. Naar verwachting wordt deze aanvraag in de loop van 2016 door CCKL beoordeeld.

    Voor meer informatie over CCKL en accreditatie verwijzen wij u naar de website: www.cckl.nl

Informatie voor patiënten

Wie zijn wij

Antoni van LeeuwenhoekDe wortels van de medische microbiologie stammen reeds uit 1679. In dat jaar ontdekte de Nederlandse wetenschapper Antoni van Leeuwenhoek micro-organismen onder een zelfgemaakte microscoop. In de negentiende eeuw gaven Pasteur en Koch de bacteriologie een belangrijke duw in de goede richting. Inmiddels is de medische microbiologie onmisbaar bij het opsporen en behandelen van infecties en infectieziektes.

Per jaar voert het Centraal Bacteriologisch en Serologisch (serologie = onderzoek naar antistoffen in het lichaam) Laboratorium meer dan 100.000 onderzoeken uit van medisch specialisten (van Tergooi locatie Hilversum en Blaricum), huisartsen, verloskundigen en andere zorginstellingen in de regio Gooi- en Vechtstreek en Zuidelijk Flevoland.

In het laboratorium werken vier arts-microbiologen en ongeveer dertig analisten. Medewerkers van het laboratorium onderzoeken lichaamsmaterialen zoals bloed, ontlasting, urine, sputum en wondvocht. Het laboratorium beschikt over de modern ingerichte afdelingen bacteriologie, serologie/virologie, schimmels, parasitologie, mycologie en een microbiologisch moleculaire afdeling. Met geavanceerde apparatuur wordt gezocht naar ziekteverwekkers die luchtweg-, urineweg- en maagdarminfecties kunnen veroorzaken, maar ook bijvoorbeeld de ziekte van Lyme, hepatitis en seksueel overdraagbare aandoeningen (o.a. chlamydia en HIV).

Lab

De medische microbiologie staat niet stil. Nog steeds worden nieuwe bacteriën, virussen en behandelmethoden ontdekt. Ook nemen wereldwijd infectieziekten toe en groeit het aantal resistente bacteriën en virussen. Maar liefst zeven van de tien meest voorkomende ziekten in Nederland zijn infectieziekten, van onschuldige verkoudheid tot bronchitis, urineweginfecties en maagdarminfecties.

Het werk van de arts-microbioloog beperkt zich niet tot onderzoek alleen. Als een infectie(ziekte) is geconstateerd, volgt desgewenst advies over de behandeling aan de aanvrager van het onderzoek. Ook doet de arts-microbioloog mee aan artsen besprekingen op de Intensive Care. Ten slotte werkt de afdeling Medische microbiologie nauw samen met de afdeling Infectiepreventie en Steriliteit op beide locaties van Tergooi.

Het CBSL staat voor hoge kwaliteit, service en snelle uitslagen. Het laboratorium is goed bereikbaar voor huisartsen, medisch specialisten en andere aanvragers. Ze kunnen er 24 uur per dag, 7 dagen per week terecht. De afhandeling van de onderzoeken gebeurt in rap tempo en uitslagen worden digitaal verstuurd naar de verschillende aanvragers.

 

Medewerkers

Dr. Bakker Dr. Dorigo-Zetsma Dr. Timmerman Dr. Mens
Dr. Leendert
Bakker

Arts-microbioloog
Dr. Wendelien
Dorigo-Zetsma

Arts-microbioloog
Dr. Cornelis Timmerman
Arts-microbioloog

Dr. Suzan van
Mens
Arts-microbioloog

 

Dekker Schaik Hemmers
Sanela Svraka
Moleculair bioloog
David Dekker
Teamleider Bacteriologie
Ton van Schaik
Teamleider Serologie
Cor Hemmers
Systeembeheerder

 

  

Contact

CBSL Locatie Hilversum

Van Riebeeckweg 212
1213 XZ Hilversum
tel.  088 753 1220
fax. 088 753 1229

email: info@cbsl.nl

Openingstijden

maandag t/m vrijdag: 8.00 tot 17.00 uur
weekend- en feestdagen: 8.00 tot 12.00 uur

route (Google maps)

tel. bgg. 088 753 1 753 (algemeen nummer Tergooi)

Het CBSL is te vinden op het ziekenhuisterrein van Tergooi locatie Hilversum (poli 16) en heeft een eigen ingang, te bereiken via parkeerterrein P2.

Op maandag t/m vrijdag van 8.00 tot 17.00 uur kunt u te onderzoeken materiaal rechtstreeks naar het CBSL brengen. Buiten deze tijden kunt u het materiaal afgeven bij de receptie (bij de hoofdingang) van Tergooi locatie Hilversum, eveneens aan de Van Riebeeckweg 212.

CBSL Locatie Blaricum

Rijksstraatweg 1
1261 AN Blaricum
tel. 088 753 1220

Openingstijden

maandag t/m vrijdag:8.30 tot 16.30 uur
zaterdag: voor 11.00 uur materialen in de
koelkast bij de klinische chemie
zon- en feestdagen:idem zaterdag, maar alleen CITO's worden verwerkt

route (Google maps)

Het CBSL is te vinden bij de balie van de Klinische Chemie, op de begane grond in de B-vleugel.

Terug naar home